Werkwijze

Zo komt een weerlegging tot stand: van letterlijk citaat tot oordeel.

1. De bewering

Elke weerlegging gaat over één bewering die echt is gepubliceerd. We citeren haar letterlijk en vermelden wie haar deed, wanneer, en waar ze te vinden is. We toetsen geen beweringen die niemand heeft gedaan.

2. De bronnen

We gaan terug naar de bron zelf: de studie, de systematische review, het officiële rapport, de uitspraak of het Kamerstuk. Elke feitelijke bewering in een weerlegging is in zo'n bron nagelezen. Alle gebruikte bronnen staan onder de tekst, met een link. Citaten zijn letterlijk; een vertaald citaat noemen we vertaald.

3. Het oordeel

  • Onjuist: de bewering is in strijd met wat de bronnen laten zien.
  • Misleidend: de bewering bevat iets wat klopt, maar wekt een indruk die de bronnen niet dragen.
  • Onvolledig: de bewering klopt, maar laat iets weg dat voor het oordeel van de lezer van belang is.
  • Niet onderbouwd: er is geen onderzoek dat de bewering draagt.
  • Juist: de bewering klopt met de bronnen.

Wat we niet doen

We vullen geen gaten met aannames. Wat niet is gemeten, noemen we niet gemeten. We vermelden ook het sterkste argument voor de bewering en de beperkingen van het onderzoek dat ertegen ingaat.