Suïcide en mentale gezondheid
Is bewezen dat transgenderzorg zelfdoding voorkomt?
De bewering
“Bovendien is het wetenschappelijk zonder twijfel bewezen dat volwaardige en passende transgenderzorg de kans op (gedachtes over) zelfdoding flink verlaagt.”
Jenny Rozema, opinieartikel op Joop (BNNVARA), 17 februari 2026 · bekijk de bron
Ons oordeel
Niet onderbouwdNiet bewezen. Jongeren melden na behandeling minder suïcidale gedachten, maar de bewijskracht is laag tot zeer laag. Voor zelfdoding zelf is geen effect van behandeling aangetoond.

Wat wordt er beweerd
Op Joop, de opiniesite van BNNVARA, schreef Jenny Rozema op 17 februari 2026 dat het aantal zelfdodingen onder transgender kinderen en tieners in het Verenigd Koninkrijk is ‘vervijfvoudigd’ nadat puberteitsremmers daar aan banden waren gelegd. Ter onderbouwing stelt zij: ‘Bovendien is het wetenschappelijk zonder twijfel bewezen dat volwaardige en passende transgenderzorg de kans op (gedachtes over) zelfdoding flink verlaagt.’ Puberteitsremmers heten in het stuk ‘levensreddende medicatie’.
Het artikel erkent zelf dat ‘nog niet formeel is vastgesteld in welke mate deze stijgingen te maken hebben met het verbod op puberteitsremmers’. De bewering heeft dus twee delen: dat de werking tegen zelfdoding bewezen is, en dat de Britse cijfers dat laten zien. Wij toetsen beide. Daarbij zijn suïcidale gedachten en zelfdoding verschillende uitkomsten. Het eerste wordt met vragenlijsten gemeten, het tweede in sterfteregisters.
Wat de bronnen zeggen
Suïcidale gedachten: verbetering gemeten, oorzaak niet vast te stellen
De Gezondheidsraad schrijft in zijn advies van 30 juni 2026 over Nederlandse jongeren: ‘Na de start met GnRH-agonisten rapporteren ze een betere mentale gezondheid in vergelijking met de situatie voor behandeling. Dit geldt voor emotionele problemen, depressieve klachten, suïcidaliteit en zelfbeschadiging.’ Dat is het sterkste Nederlandse gegeven vóór de bewering.
Hetzelfde advies noemt de bewijskracht voor de gevonden effecten ‘laag tot zeer laag’. Het onderzoek bestaat alleen uit observationele studies, de meeste zonder goede controlegroep, en de raad schrijft: ‘In de regel is het op basis van observationeel onderzoek niet goed mogelijk een oorzakelijk verband aan te tonen tussen behandeling en uitkomst.’ Veel jongeren kregen daarnaast psychologische behandeling, ‘waardoor het additionele effect van hormoonbehandelingen niet vast te stellen is’. Volgens het achtergronddocument ziet één systematische review een verbetering van suïcidaliteit en noemen drie andere het bewijs niet consistent. Een verslechtering vond geen enkele studie.
De Britse Cass Review (2024) komt tot hetzelfde beeld. Een overzichtsstudie vond in de meeste onderzoeken minder suïcidaliteit na behandeling, maar met grote methodologische problemen, vooral omdat niet werd gecorrigeerd voor psychiatrische problemen en de behandeling daarvan. De conclusie van Cass luidt, vertaald: het bewijs ondersteunt de bewering dat genderbevestigende behandeling het suïciderisico verlaagt niet voldoende. Meer over de bewijskracht staat in onze toetsing van de claim dat genderzorg voor jongeren wetenschappelijk bewezen is.
Zelfdoding: zeldzaam, en geen aangetoond effect van behandeling
Een studie die naar zelfdoding bij behandelde en niet-behandelde jongeren kijkt, is het Finse registeronderzoek van Ruuska en collega’s (BMJ Mental Health, 2024). Het volgde 2.083 jongeren die zich tussen 1996 en 2019 vóór hun 23e bij de Finse genderklinieken meldden, en 16.643 leeftijdgenoten, gemiddeld ruim zes jaar. Zelfdoding kwam in de genderverwezen groep vaker voor (0,3 tegen 0,1 procent). Na correctie voor psychiatrische behandeling was het verschil niet meer statistisch significant. Na die correctie verschilden jongeren met en jongeren zonder hormonale of chirurgische behandeling geen van beide significant van de controlegroep. Volgens de onderzoekers ondersteunt dit niet de stelling dat medische transitie nodig is om zelfdoding te voorkomen.
Bij de Britse jeugdgenderkliniek GIDS telde socioloog Michael Biggs over 2010 tot en met 2020 vier vermoedelijke zelfdodingen op ongeveer 15.000 patiënten en wachtenden. Dat is 0,03 procent, wel 5,5 keer zo vaak als bij leeftijdgenoten. Twee van de vier stonden op de wachtlijst. Biggs noemt dat niet onevenredig, omdat de wachtlijst bijna de helft van alle patiëntjaren uitmaakte, en schrijft dat zijn gegevens niets zeggen over de vraag of behandeling het risico verandert.
Voor Nederland onderzochten Wiepjes en collega’s (2020) alle 8.263 mensen die van 1972 tot en met 2017 de Amsterdamse genderpoli bezochten. Van hen overleden er 49 door zelfdoding. Over 2013 tot 2017 was dat 40 per 100.000 persoonsjaren, tegen 11 in de Nederlandse bevolking. De sterfgevallen kwamen in elke fase van het traject voor, ook na afronding van de behandeling. Bij wie vóór het 18e jaar was verwezen ging het om vier personen (0,2 procent). Gegevens over psychische problemen ontbraken.
De Britse cijfers
De Britse overheid liet de cijfers in 2024 beoordelen door professor Louis Appleby, adviseur suïcidepreventie. Zijn rapport van 19 juli 2024 telt onder huidige en voormalige patiënten van de Tavistock-kliniek twaalf zelfdodingen in zes jaar: vijf in de drie jaren vóór 2020-21 en zeven in de drie jaren erna. Onder minderjarigen waren het er drie en drie. Zijn conclusie, vertaald: de gegevens ondersteunen de bewering van een grote stijging niet.
De ‘vervijfvoudiging’ komt uit een andere bron. De Good Law Project publiceerde in februari 2026 cijfers van de National Child Mortality Database over alle minderjarigen in Engeland: 46 zelfdodingen van kinderen die zich als transgender identificeerden, verdeeld over zes jaren (5, 4, 22, 10, 3 en 2). De database waarschuwt dat de recente jaren onvolledig zijn. Daarbij horen drie kanttekeningen:
- De registratie begon op 1 april 2019. Er zijn dus maar twee jaren vóór de piek van 2021-22 om mee te vergelijken.
- Bij 12 van de 46 kinderen was genderdysforie of gendergerelateerde nood geregistreerd, of als meespelende factor genoteerd.
- Het gepubliceerde antwoord zegt niets over de vraag of deze kinderen zorg zochten, op een wachtlijst stonden of puberteitsremmers wilden.
Appleby kende de piek van 2021-22 al. Hij achtte het waarschijnlijker dat jongeren hun nood vaker in termen van gender uiten en dat hulpverleners dit vaker herkennen. Ook het totale aantal zelfdodingen onder minderjarigen lag dat jaar hoger, in een beslissende fase van de coronapandemie. Een verband met puberteitsremmers noemde hij onwaarschijnlijk, maar nader onderzoek nodig.
Wat hierbij hoort
De zorg achter de bewering is terecht. Jongeren met genderdysforie rapporteren vaker suïcidaliteit dan leeftijdgenoten, dat staat in het achtergronddocument bij het advies van de Gezondheidsraad en in de Cass Review. In Nederlands onderzoek melden behandelde jongeren minder suïcidaliteit. De Gezondheidsraad schrijft bovendien dat niet-behandelen ‘geen neutrale optie’ is.
Ook het tegenbewijs heeft grenzen. Zelfdoding is zeldzaam, waardoor studies weinig onderscheidend vermogen hebben. In de Finse studie lag het risico ten opzichte van de controlegroep bij onbehandelde jongeren getalsmatig hoger dan bij behandelde (hazard ratio 3,2 tegen 0,8). De auteurs noemen dat niet significant en Cass schrijft dat uit deze studie moeilijk harde conclusies te trekken zijn. Het ontbreken van betrouwbaar bewijs voor een effect is iets anders dan bewijs dat er geen effect is.
Appleby waarschuwt daarnaast dat het voorstellen van zelfdoding als te verwachten uitkomst zonder puberteitsremmers zelf risico’s heeft voor kwetsbare jongeren en hun ouders beangstigt. Meer over wat de Cass Review wel en niet zegt staat in onze toetsing van de claim over de weggegooide studies.
Conclusie
Dat transgenderzorg de kans op zelfdoding verlaagt, is niet ‘zonder twijfel bewezen’. Jongeren rapporteren na behandeling minder suïcidale gedachten, maar de bewijskracht is laag tot zeer laag en een oorzakelijk verband is niet vast te stellen. Voor zelfdoding zelf is geen effect van behandeling aangetoond. De Britse cijfers laten in één registratie één uitschietend jaar zien, zonder gegevens die het aan puberteitsremmers koppelen. Zelfdoding onder deze jongeren komt vaker voor dan gemiddeld en blijft zeldzaam. Wie de bewering herhaalt, belooft meer dan het onderzoek kan dragen.
Denk je aan zelfdoding of maak je je zorgen om iemand, dan kun je bellen met 113 Zelfmoordpreventie via 0800-0113 of chatten via 113.nl.
Bronnen
- Gezondheidsraad (2026). Advies Transgenderzorg voor jongeren, nr. 2026/12.
- Gezondheidsraad (2026). Achtergronddocument Fysieke en mentale uitkomsten.
- Cass, H. (2024). Independent Review of Gender Identity Services for Children and Young People: Final Report.
- Ruuska, S.M., Tuisku, K., Holttinen, T., Kaltiala, R. (2024). All-cause and suicide mortalities among adolescents and young adults who contacted specialised gender identity services in Finland in 1996-2019: a register study. BMJ Mental Health.
- Biggs, M. (2022). Suicide by Clinic-Referred Transgender Adolescents in the United Kingdom. Archives of Sexual Behavior.
- Wiepjes, C.M. et al. (2020). Trends in suicide death risk in transgender people: results from the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria study (1972-2017). Acta Psychiatrica Scandinavica.
- Appleby, L. (2024). Review of suicides and gender dysphoria at the Tavistock and Portman NHS Foundation Trust: independent report. Department of Health and Social Care.
- Good Law Project (2026). New data shows surge in trans kids’ suicides following healthcare rollbacks.
- University of Bristol / National Child Mortality Database (2026). Antwoord op informatieverzoek FOI2526-321, 5 februari 2026 (gepubliceerd door Good Law Project).
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.
