Spijt en detransitie
Is het een mythe dat genderdysforie bij kinderen vaak overgaat?
De bewering
“New research has debunked the right-wing argument that most trans children eventually grow out of identifying as trans. (Vertaling: Nieuw onderzoek heeft het rechtse argument ontkracht dat de meeste transkinderen er uiteindelijk overheen groeien zich als trans te identificeren.)”
PinkNews, artikel van Poppy-Jay St. Palmer, 29 april 2026 · bekijk de bron
Ons oordeel
MisleidendDe aangehaalde studie vindt dat het aandeel onzeker is, niet dat genderdysforie bij kinderen blijft. In de klinische vervolgstudies verdween zij bij een groot deel van de teruggevonden kinderen.

Wat wordt er beweerd
PinkNews meldde op 29 april 2026: ‘New research has debunked the right-wing argument that most trans children eventually grow out of identifying as trans.’ Vertaald: nieuw onderzoek heeft het rechtse argument ontkracht dat de meeste transkinderen er uiteindelijk overheen groeien zich als trans te identificeren. De kop spreekt van een ontkrachte ‘mythe’.
Het gaat om een studie van onderzoekers van Virginia Commonwealth University, met Catherine Wall als eerste auteur. In Nederland klinkt dezelfde gedachte in een andere vorm. Zo schreef een opinieartikel op Joop in 2024 dat een studie uit 2022 aantoonde ‘dat na vijf jaar 97,5% van de respondenten de gender non-conforme identiteit had behouden’. De vraag is of onderzoek laat zien dat genderdysforie bij jonge kinderen niet overgaat.
Wat de bronnen zeggen
De Nederlandse vervolgstudies
De bekendste cijfers komen uit Amsterdam. Wallien en Cohen-Kettenis (2008) volgden 77 kinderen die tussen hun vijfde en twaalfde wegens genderdysforie waren verwezen. Ongeveer tien jaar later was 27 procent nog genderdysfoor en 43 procent niet meer. De overige 30 procent reageerde niet of was onvindbaar. De auteurs concludeerden dat de meeste kinderen met genderdysforie na de puberteit niet genderdysfoor blijven.
Steensma en collega’s (2013) volgden 127 jongeren die als kind waren verwezen. Bij 37 procent hield de genderdysforie aan. De intensiteit van de genderdysforie op kinderleeftijd was een belangrijke voorspeller. In een kwalitatieve studie (2011) onder 25 jongeren noemden zowel blijvers als stoppers de leeftijd van tien tot dertien jaar als beslissende periode.
Toronto: Singh, Bradley en Zucker
De grootste vervolgstudie onder jongens is die van Singh, Bradley en Zucker (2021) onder 139 jongens die in Toronto op gemiddeld ruim zeven jaar waren onderzocht en op gemiddeld ruim twintig jaar opnieuw. Bij 17 van hen (12,2 procent) bleef de genderdysforie bestaan, bij 122 (87,8 procent) niet. Van de jongens voldeed 63,3 procent als kind aan de volledige diagnose. Onder hen was het aandeel blijvers niet wezenlijk hoger dan onder de anderen (13,6 tegen 9,8 procent).
De kritiek van Temple Newhook
Temple Newhook en collega’s (2018) leverden de belangrijkste kritiek. Die is voor een deel terecht:
- In de Amsterdamse studies zijn deelnemers die niet reageerden als stoppers geteld: 30 procent bij Wallien, 25 procent bij Steensma 2011 en 22 procent bij Steensma 2013. De aanname was dat wie niet terugkwam bij de enige kliniek van het land, geen genderdysforie meer had.
- Een deel van de kinderen voldeed niet aan de volledige diagnose van die tijd, en die diagnose vereiste geen uitgesproken identificatie met het andere geslacht.
- De follow-up eindigde vroeg, soms al op veertienjarige leeftijd.
Zucker reageerde in hetzelfde tijdschrift onder de titel The myth of persistence. De inhoudelijke tegenargumenten staan in de studie van Singh. In de studie van Wallien voldeed 68 procent van de stoppers als kind wel aan de volledige diagnose, bij Steensma (2013) bijna 40 procent van de jongens die stopten.
De kritiek verandert de uitkomst ook minder dan vaak wordt gedacht. Laat men alle niet-reagerende deelnemers buiten beschouwing, dan blijft bij Wallien 43 procent over die volgens eigen opgave of die van de ouders niet meer genderdysfoor was, tegen 27 procent bij wie het aanhield. De tabel van Temple Newhook zelf geeft voor Steensma 2013 een vergelijkbaar beeld: 37 procent blijvers, 36 procent bij heronderzoek bevestigde stoppers en 5 procent stoppers op basis van opgave door derden.
De nieuwe studie waar PinkNews over schrijft
Volgens het persbericht van de universiteit analyseerden Wall en collega’s elf oudere studies en vijf recentere. Hun uitkomst: het aandeel kinderen bij wie de transidentiteit verdwijnt kan, afhankelijk van de aannames over uitvallers, worden geschat op nul tot honderd procent. Voor het aandeel bij wie zij blijft geldt hetzelfde. De auteurs stellen volgens het persbericht dat sommige kinderen en jongvolwassenen waarschijnlijk wel stoppen met hun transidentiteit, en dat de gegevens niet geschikt zijn als basis voor wetgeving.
Dat is iets anders dan ‘ontkracht’. De studie laat zien dat het veelgenoemde cijfer van 60 tot 90 procent onzeker is. Zij laat niet zien dat genderdysforie bij kinderen blijvend is.
Olson: kinderen die al sociaal in transitie waren
De 97,5 procent komt uit Olson en collega’s (2022). Zij volgden 317 kinderen die al volledig sociaal in transitie waren en bij de start van de studie gemiddeld acht jaar oud waren. Gemiddeld vijf jaar na de sociale transitie leefde 94 procent als binair transgender, 3,5 procent als non-binair en 2,5 procent als cisgender.
Dit is een andere groep dan in de klinische studies. Het gaat om vrijwilligers uit gezinnen die de transitie steunden, met een bovengemiddeld inkomen en opleidingsniveau. Of de kinderen aan de diagnose genderdysforie voldeden, is niet onderzocht. De auteurs schrijven zelf dat vergelijking met de oudere studies moeilijk is. De studie zegt dus iets over kinderen na een vroege sociale transitie, niet over alle kinderen die zich met genderdysforie melden. Steensma vond in 2013 al dat sociale transitie samenhing met het aanhouden van genderdysforie. Volgens de weergave van Singh bleven in die studie tien van de twaalf jongens die vóór de puberteit geheel of gedeeltelijk sociaal in transitie waren gegaan genderdysfoor, tegen dertien van de 67 jongens die dat niet hadden gedaan. Of de transitie daar oorzaak of gevolg is, kan dit onderzoek niet uitmaken. Zie onze toetsing van de claim dat sociale transitie onschuldig is.
Wat hierbij hoort
Het sterkste argument van de andere kant is dat het cijfer van 80 procent of meer te stellig is gebruikt. Het steunt op kleine studies uit een andere tijd, waarin uitvallers als stoppers werden geteld en waarin ook kinderen zaten die vooral gender-nonconform gedrag vertoonden. Wie schrijft dat ruim 80 procent van de kinderen eroverheen groeit, een cijfer dat Temple Newhook als wijdverbreid beschrijft, zegt meer dan de gegevens toelaten. Ook de studie van Singh betreft alleen jongens, als kind onderzocht tussen 1975 en 2009, gemiddeld in 1989.
Er zijn meer grenzen. De vervolgstudies gaan over kinderen die vóór de puberteit zijn onderzocht, niet over jongeren bij wie de genderdysforie in de puberteit aanhoudt of dan pas begint. Singh schreef in 2021 dat er geen langlopende vervolgstudies bestaan van klinisch verwezen kinderen die allemaal vóór de puberteit sociaal in transitie waren gegaan. Het advies van de Gezondheidsraad van 30 juni 2026 laat ‘desistance’, door de raad omschreven als afzien van het starten van een somatisch traject, buiten beschouwing. Wel vermeldt de raad dat een klein deel van de jongeren (in Nederland minder dan 10 procent) met puberteitsremmers stopt, ‘bijvoorbeeld vanwege remissie van genderdysforie’. Hoe het volwassenen later vergaat, bespreken wij bij de claim over 1 procent spijt.
Conclusie
Dat genderdysforie bij kinderen vaak overgaat, is geen ontkrachte mythe. In de klinische vervolgstudies van Wallien, Steensma (2013) en Singh was bij een groot deel van de teruggevonden kinderen de genderdysforie bij de nameting verdwenen, ook als de uitvallers niet worden meegeteld. Het precieze aandeel is onzeker, en de nieuwe studie waar PinkNews zich op beroept zegt precies dat: de schatting kan alle kanten op. Het cijfer van Olson geldt voor een geselecteerde groep kinderen die al sociaal in transitie waren. Of een individueel kind genderdysfoor blijft, valt op jonge leeftijd niet met zekerheid te zeggen.
Bronnen
- Wallien, M.S.C., Cohen-Kettenis, P.T. (2008). Psychosexual outcome of gender-dysphoric children. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry.
- Steensma, T.D., Biemond, R., de Boer, F., Cohen-Kettenis, P.T. (2011). Desisting and persisting gender dysphoria after childhood: a qualitative follow-up study. Clinical Child Psychology and Psychiatry.
- Steensma, T.D., McGuire, J.K., Kreukels, B.P.C., Beekman, A.J., Cohen-Kettenis, P.T. (2013). Factors associated with desistence and persistence of childhood gender dysphoria: a quantitative follow-up study. Journal of the American Academy of Child and Adolescent Psychiatry.
- Singh, D., Bradley, S.J., Zucker, K.J. (2021). A Follow-Up Study of Boys With Gender Identity Disorder. Frontiers in Psychiatry.
- Temple Newhook, J. et al. (2018). A critical commentary on follow-up studies and “desistance” theories about transgender and gender non-conforming children. International Journal of Transgenderism.
- Zucker, K.J. (2018). The myth of persistence: Response to “A critical commentary on follow-up studies and ‘desistance’ theories about transgender and gender non-conforming children” by Temple Newhook et al. International Journal of Transgenderism.
- Olson, K.R., Durwood, L., Horton, R., Gallagher, N.M., Devor, A. (2022). Gender Identity 5 Years After Social Transition. Pediatrics.
- Virginia Commonwealth University (2026). Common claim that most transgender youth renounce that identity is not supported by statistics, VCU research finds (persbericht, 27 april 2026).
- Vetter, N. (2024). Kuitenbrouwer en zijn anti-trans cult. Joop (BNNVARA), 1 mei 2024.
- Gezondheidsraad (2026). Advies Transgenderzorg voor jongeren, nr. 2026/12.
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.
