Bewijs en onderzoek
Is de Nederlandse aanpak bewezen veilig en effectief?
De bewering
“Diverse (overzicht)studies tonen aan dat het ook positieve effecten heeft op het psychisch welbevinden. [...] Van genderbevestigende zorg, hormonen (vanaf 16 jaar) en operaties (vanaf 18 jaar) is bekend dat deze het mentaal welzijn duidelijk verbeteren, doordat het de genderdysforie evident vermindert.”
Transgender Netwerk, brandbrief aan BNNVARA, de NPO en de Ombudsman van de publieke omroep over de Zembla-uitzending over transgenderzorg, punt 3, 24 oktober 2023 · bekijk de bron
Ons oordeel
MisleidendDe Nederlandse kernstudies melden gunstige uitkomsten, maar zijn klein en zonder controlegroep. York mist onderzoek van hoge kwaliteit; de Gezondheidsraad noemt de bewijskracht laag tot zeer laag. ‘Bekend’ en ‘evident’ is stelliger dan het onderzoek toelaat.

Wat wordt er beweerd
Op 24 oktober 2023 stuurde Transgender Netwerk een brandbrief aan BNNVARA, de NPO en de Ombudsman van de publieke omroep, vlak voor een uitzending van Zembla over de Nederlandse behandeling van jongeren met genderdysforie, internationaal bekend als het Dutch Protocol. In de brief staat over puberteitsremmers: “Diverse (overzicht)studies tonen aan dat het ook positieve effecten heeft op het psychisch welbevinden.” En over het vervolg: “Van genderbevestigende zorg, hormonen (vanaf 16 jaar) en operaties (vanaf 18 jaar) is bekend dat deze het mentaal welzijn duidelijk verbeteren, doordat het de genderdysforie evident vermindert.” Puberteitsremmers worden volgens de brief “in het algemeen als veilig beschouwd”.
Als bron noemt de brief onder meer de Amsterdamse studie van De Vries en collega’s uit 2014. De vraag is of de onderzoeken die stelligheid dragen: ‘tonen aan’, ‘is bekend’, ‘duidelijk’, ‘evident’. De brief is van vóór de systematische reviews van de Universiteit van York (2024) en het advies van de Gezondheidsraad (2026); die worden hier wel meegewogen.
Wat de bronnen zeggen
De twee Nederlandse studies
Het voornaamste bewijs voor het Dutch Protocol kwam volgens socioloog Michael Biggs uit een longitudinale studie van 70 adolescenten (bron). Die groep, behandeld in het Amsterdamse gendercentrum, is in twee stappen beschreven.
- De Vries e.a. (2011): de eerste 70 jongeren die tussen 2000 en 2008 puberteitsremmers kregen, gemeten vóór de start en vlak voor de start van hormonen. Gedrags- en emotionele problemen en depressieve klachten namen af en het algemeen functioneren verbeterde. Angst en boosheid veranderden niet. Genderdysforie en lichaamstevredenheid veranderden ook niet. Alle 70 gingen door naar hormonen.
- De Vries e.a. (2014): 55 van die 70, opnieuw gemeten minstens een jaar na de geslachtsaanpassende operatie, op gemiddeld 20,7 jaar. De genderdysforie was afgenomen, het psychisch functioneren verbeterd en het welbevinden vergelijkbaar met dat van leeftijdsgenoten.
Beide studies hebben geen controlegroep; het zijn voor-en-na-metingen bij dezelfde jongeren. Uit de studie van 2014 blijkt hoe de groep tot stand kwam: van 196 achtereenvolgens verwezen adolescenten werden er 140 geschikt geacht voor medische behandeling en kregen er 111 puberteitsremmers; de studie volgt de eerste 70. Vijftien van hen ontbreken in de eindmeting: zes waren nog geen jaar na de operatie, twee weigerden, twee stuurden de vragenlijsten niet terug, drie waren medisch niet geschikt voor een operatie, één viel uit zorg en één overleed. De auteurs schrijven daarover dat één trans vrouw stierf na haar vaginaplastiek aan een postoperatieve necrotiserende fasciitis (vertaald uit het Engels). Volledige gegevens waren er van 40 deelnemers.
De auteurs noemen zelf als beperkingen dat de groep klein was en uit één kliniek kwam, dat de studie niet naar lichamelijke bijwerkingen keek en dat er selectie kan zijn tussen deelnemers en niet-deelnemers.
Gepubliceerde kritiek
Socioloog Michael Biggs (Universiteit van Oxford) schreef in 2022 dat de uitkomsten kort na de operatie positief leken, “behalve voor de ene patiënt die overleed”, maar berustten op een klein aantal waarnemingen en op onderling niet vergelijkbare metingen van genderdysforie; een Britse herhalingsstudie vond volgens hem geen verbetering (vertaald). Abbruzzese, Levine en Mason (2023) noemen drie vertekeningen: de selectie zorgde ervoor dat alleen de meest geslaagde gevallen in de resultaten kwamen, de gemeten afname van genderdysforie was volgens hen het gevolg van het omwisselen van de vragenlijst, en door de gelijktijdige psychotherapie is het effect van hormonen en operaties niet apart vast te stellen (vertaald en samengevat). De studie van 2014 vermeldt zelf dat er aparte versies van de vragenlijst voor genderdysforie bestaan voor jongens en meisjes, met grotendeels verschillende vragen.
Hoe de systematische reviews het bewijs wegen
De review van de Universiteit van York over puberteitsremmers (Taylor e.a., 2024) nam 50 studies op, waarvan 17 uit Nederland. Eén studie was van hoge kwaliteit, 25 van matige en 24 van lage. De studie van De Vries uit 2011 kreeg het oordeel ‘matig’; bij de uitkomst genderdysforie noteert de review: geen verandering. De conclusie luidt dat er geen conclusies kunnen worden getrokken over het effect op genderdysforie, mentale en psychosociale gezondheid of cognitieve ontwikkeling, en dat botgezondheid en lengtegroei tijdens de behandeling mogelijk worden aangetast (vertaald). De review over hormonen vond 53 studies, één van hoge kwaliteit, en concludeert dat bewijs van matige kwaliteit erop wijst dat de mentale gezondheid tijdens behandeling kan verbeteren, maar dat robuust onderzoek nog nodig is (vertaald). Meer hierover in de weerlegging over de reviews achter de Cass Review.
Het advies van de Gezondheidsraad
De Gezondheidsraad oordeelde op 30 juni 2026 dat de transgenderzorg voor jongeren in Nederland “wordt gekenmerkt door een zorgvuldig ingericht proces” en binnen het gezondheidsrechtelijk kader past. Over de uitkomsten schrijft de raad dat de beoogde lichamelijke effecten worden bereikt, dat er “aanwijzingen zijn voor enige verbetering in mentale uitkomsten” en dat de gegevens over niet-beoogde effecten “niet zorgwekkend” zijn. Tegelijk: de systematische reviews “zijn het erover eens dat de bewijskracht voor de gevonden effecten laag tot zeer laag is”; effecten op cognitie en vruchtbaarheid zijn onvoldoende onderzocht en gegevens over de lange termijn ontbreken.
Wat hierbij hoort
Het sterkste argument voor de Nederlandse aanpak staat in hetzelfde advies. De onduidelijkheden zijn voor de Gezondheidsraad geen reden om te adviseren de zorg anders in te richten; de raad weegt mee dat “niets doen ook schadelijk kan zijn voor de mentale gezondheid”. Lage bewijskracht betekent volgens de raad niet dat de literatuur geen waarde heeft: gerandomiseerd onderzoek is bij kinderen moeilijk, jongeren willen niet in een controlegroep en blindering is onmogelijk. Ook laat het onderzoek naar de uitkomsten van hormoonbehandeling volgens de raad “veelal consistente en overwegend positieve resultaten zien” en is somatische behandeling in Nederland pas aan de orde na uitgebreide diagnostiek.
De kritiek heeft eigen beperkingen. Biggs en Abbruzzese en collega’s deden geen nieuw patiëntenonderzoek maar analyseerden bestaande publicaties, en de eerste auteur van het tweede artikel is verbonden aan de Society for Evidence-Based Gender Medicine. Zwak bewijs voor een effect is bovendien iets anders dan bewijs dat er geen effect is of dat de behandeling schaadt. Eén sterfgeval na een operatie zegt niets over de veiligheid van puberteitsremmers, maar hoort wel bij een eerlijke weergave van de studie.
Daar komt bij dat de groep is veranderd. Volgens de Gezondheidsraad zijn jongeren die zich nu aanmelden vaker ouder, vaker geboren meisjes, vaker non-binair en hebben zij vaker bijkomende problematiek; onderzoek naar de gevolgen daarvan voor de uitkomsten van hormoonbehandeling is er nog niet. De raad vraagt om studies met een populatie die “representatief is voor de huidige groep”. Zie ook de stijging van de aanmeldingen en de vraag of genderzorg voor jongeren wetenschappelijk bewezen is.
Conclusie
Dat de Nederlandse zorg zorgvuldig is ingericht, is het oordeel van de Gezondheidsraad en dat hoort erbij gezegd. Maar zorgvuldig ingericht is iets anders dan bewezen effectief. De stellige woorden van Transgender Netwerk worden niet gedragen door het onderzoek waarnaar de brief verwijst: de kernstudie telt 55 jongvolwassenen uit één kliniek, heeft geen controlegroep, mist 15 van de oorspronkelijke 70 deelnemers en vond in de fase van de puberteitsremmers geen afname van genderdysforie. De reviews van York stellen vast dat onderzoek van hoge kwaliteit ontbreekt; de Gezondheidsraad spreekt van lage tot zeer lage bewijskracht en van aanwijzingen voor enige verbetering. Wie dat weergeeft als iets wat ‘bekend’ en ‘evident’ is, geeft een stelliger beeld dan de wetenschap toelaat.
Bronnen
- De Vries, A.L.C., Steensma, T.D., Doreleijers, T.A.H. & Cohen-Kettenis, P.T. (2011). Puberty suppression in adolescents with gender identity disorder: a prospective follow-up study. Journal of Sexual Medicine 8(8).
- De Vries, A.L.C. e.a. (2014). Young adult psychological outcome after puberty suppression and gender reassignment. Pediatrics 134(4).
- Biggs, M. (2023, online 2022). The Dutch Protocol for Juvenile Transsexuals: Origins and Evidence. Journal of Sex & Marital Therapy 49(4).
- Abbruzzese, E., Levine, S.B. & Mason, J.W. (2023). The Myth of “Reliable Research” in Pediatric Gender Medicine: A critical evaluation of the Dutch Studies - and research that has followed. Journal of Sex & Marital Therapy 49(6).
- Taylor, J. e.a. (2024). Interventions to suppress puberty in adolescents experiencing gender dysphoria or incongruence: a systematic review. Archives of Disease in Childhood 109(Suppl 2).
- Taylor, J. e.a. (2024). Masculinising and feminising hormone interventions for adolescents experiencing gender dysphoria or incongruence: a systematic review. Archives of Disease in Childhood 109(Suppl 2).
- Gezondheidsraad (2026). Transgenderzorg voor jongeren. Advies nr. 2026/12, 30 juni 2026.
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.
Veelgestelde vragen
Meer over Bewijs en onderzoek

Bewijs en onderzoek
MisleidendIs genderzorg voor jongeren wetenschappelijk goed onderbouwd?
Transvisie noemt twijfel aan de onderbouwing van puberteitsremmers ongefundeerd. Reviews en de Gezondheidsraad noemen de bewijskracht laag tot zeer laag.
Lees de weerlegging →
Bewijs en onderzoek
OnjuistNegeerde de Cass Review 98 procent van de studies?
Transgender Netwerk schrijft dat de Cass Review bijna al het onderzoek negeerde. In werkelijkheid telden 60 van de 103 beoordeelde studies mee in de conclusies.
Lees de weerlegging →
Bewijs en onderzoek
MisleidendIs de WPATH-richtlijn een zorgvuldige wetenschappelijke standaard?
De WPATH Standards of Care heten zorgvuldig tot stand gekomen. Onafhankelijke beoordeling, een snelle correctie en rechtbankstukken laten een ander beeld zien.
Lees de weerlegging →