Puberteitsremmers
Geven puberteitsremmers tijd om na te denken?
De bewering
“Zo krijgen deze jongeren tijd om na te denken of ze door willen met de transitie, terwijl hun lichaam niet verder verandert richting het geslacht dat ze niet willen.”
Amsterdam UMC, nieuwsbericht ‘Transgenderjongeren kunnen goed zelf beslissen’ (bron: LUMC), 1 november 2021 · bekijk de bron
Ons oordeel
Niet onderbouwdDat puberteitsremmers bedenktijd met een open uitkomst geven, is niet aangetoond. Meer dan 90 procent gaat door met hormonen en geen onderzoek kan uitsluiten dat de behandeling zelf daaraan bijdraagt.

Wat wordt er beweerd
Het Amsterdam UMC schreef op 1 november 2021 in een nieuwsbericht over onderzoek naar wilsbekwaamheid, onder het tussenkopje ‘Puberteitsremmers geven bedenktijd’: ‘Zo krijgen deze jongeren tijd om na te denken of ze door willen met de transitie, terwijl hun lichaam niet verder verandert richting het geslacht dat ze niet willen.’ En: ‘Puberteitsremmers creëren zo een periode van bedenktijd voordat beslissingen over onomkeerbare interventies, zoals geslachtsbevestigende hormonen of chirurgie, genomen worden.’ Als bron van het bericht staat het LUMC vermeld (bron).
Het argument wordt nog steeds gebruikt. Transvisie schrijft op een pagina voor jongeren die in december 2025 is bewerkt dat de remmers je ‘meer tijd om na te denken over je genderidentiteit’ geven. De Gezondheidsraad schrijft in zijn advies van 30 juni 2026 dat jongeren zo ‘de tijd om hun genderidentiteit verder te exploreren’ krijgen (bron). De vraag is of gemeten is dat de remmers werken als denkpauze met een open uitkomst.
Wat de bronnen zeggen
Bijna iedereen gaat door met hormonen
De cijfers wijzen één kant op:
- In een door de Gezondheidsraad aangehaalde studie van Brik en collega’s (2020) begonnen 143 jongeren met remmers. Na een mediane duur van 0,8 jaar startten 125 van hen (87 procent) met geslachtshormonen. Negen (6 procent) stopten met de remmers; vijf van hen wilden geen genderbevestigende behandeling meer, dat is 3,5 procent van de groep.
- In het Amsterdamse cohort (Van der Loos en collega’s, 2023; 1766 kinderen en jongeren) stopte 1,4 procent met de remmers, meestal omdat de genderdysforie was verdwenen.
- In de Britse early intervention study (Carmichael en collega’s, 2021) kozen 43 van de 44 jongeren van 12 tot 15 jaar (98 procent) na de remmers voor geslachtshormonen.
- De Gezondheidsraad vat het in 2026 samen: in de praktijk gaat meer dan 90 procent van de jongeren die remmers krijgen daarna door met genderbevestigende hormonen.
Wat de Cass Review hieruit afleidt
De Cass Review (april 2024) beschrijft dat ‘tijd om na te denken’ de oorspronkelijke reden was om de remmers te gebruiken, naast een beter resultaat bij een latere transitie. Over die reden schrijft het rapport (vertaald uit het Engels): ‘Aangezien de overgrote meerderheid van de jongeren die met puberteitsremmers begint daarna doorgaat naar masculiniserende of feminiserende hormonen, is er geen bewijs dat puberteitsremmers tijd kopen om na te denken, en is er enige zorg dat zij het traject van de psychoseksuele ontwikkeling en de ontwikkeling van de genderidentiteit kunnen veranderen.’
Cass legt ook uit waarom de vraag niet te beantwoorden is. Volgens het rapport is niet volledig begrepen welke rol de geslachtshormonen van de puberteit spelen bij de ontwikkeling van seksualiteit en genderidentiteit. Daarom is evenmin te zeggen wat het stilzetten van die hormonen doet. Het rapport (vertaald uit het Engels): ‘Wij kunnen dus niet weten of puberteitsremmers, in plaats van tijd te kopen om een besluit te nemen, dat besluitvormingsproces verstoren.’
Twee verklaringen, geen onderzoek dat ertussen kiest
Voor het hoge percentage bestaan twee verklaringen. De eerste: de selectie is goed, zodat alleen jongeren beginnen bij wie de genderdysforie toch zou zijn gebleven. De tweede: de behandeling zelf, en alles eromheen, maakt doorgaan waarschijnlijker. Brik en collega’s noemen de eerste verklaring mogelijk, maar schrijven er eerlijk bij dat door het observationele karakter van hun studie niet te zeggen is of de behandeling met remmers zelf de uitkomst heeft beïnvloed. Een vergelijkbare groep jongeren die geen remmers kreeg en van wie de genderidentiteit is gevolgd, is in geen van deze studies onderzocht.
De Gezondheidsraad erkent het meningsverschil. In het advies staat: ‘Sommigen zien daarin een aanwijzing dat behandeling met GnRH-agonisten wordt gezien als bevestiging van de genderproblematiek en niet alleen als middel voor verdere exploratie.’ De raad stelt daar tegenover dat het kleine percentage dat stopt ook kan wijzen op juiste selectiecriteria en op ruimte om van behandeling af te zien. De raad schrijft zelf dat de behandeling ‘niet primair als opstap naar verdere behandeling’ fungeert, maar noemt geen onderzoek dat tussen beide lezingen beslist.
Wat hierbij hoort
Het sterkste argument voor de bewering is de zorgvuldigheid vooraf. In het Amsterdamse cohort begon een aanzienlijk deel van de aangemelde jongeren niet aan medische behandeling; het ontbreken van de diagnose genderdysforie was de belangrijkste reden om niet met remmers te starten. Wie zo streng selecteert, mag verwachten dat weinig jongeren later stoppen. Brik en collega’s beschrijven bovendien dertien jongeren die de remmers langer gebruikten dan het protocol vereist en in die tijd regelmatig een psycholoog of psychiater zagen; de onderzoekers zien daarin steun voor de remmers als verlengde diagnostische fase. En er wordt gestopt: het gebeurt weinig, maar het gebeurt. De Gezondheidsraad wijst er verder op dat niet behandelen ook gevolgen heeft, omdat de puberteit dan onomkeerbare lichamelijke veranderingen brengt.
Het tegenbewijs heeft duidelijke grenzen. Een hoog percentage doorgaan bewijst niet dat de remmers jongeren vastzetten in het traject; het past even goed bij goede selectie. De studies zijn observationeel, de Britse studie telde 44 deelnemers en het Nederlandse zorgmodel is niet hetzelfde als het Britse. Wat ontbreekt, is onderzoek dat meet wat jongeren in de periode van de remmers overwegen en hoe hun genderidentiteit zich zonder remmers had ontwikkeld. Dat is niet gemeten. Of het lichamelijke effect van de remmers terug te draaien is, is een andere vraag; zie Zijn puberteitsremmers volledig omkeerbaar?. Hoe de Cass Review met het beschikbare onderzoek omging, staat in Gooide de Cass Review 98 procent van de studies weg?.
Conclusie
De bewering is niet onderbouwd. Dat de remmers de lichamelijke puberteit stilzetten en dat daardoor tijd verstrijkt voordat over hormonen wordt beslist, klopt. Maar ‘tijd om na te denken of ze door willen’ veronderstelt een open uitkomst, en die is niet aangetoond: meer dan 90 procent gaat door, en geen onderzoek kan onderscheiden of dat komt door goede selectie of door de behandeling zelf. De Cass Review concludeert dat bewijs voor de denkpauze ontbreekt. Wie jongeren en ouders voorlicht, hoort erbij te zeggen dat de remmers in de praktijk bijna altijd de eerste stap van de medische transitie blijken te zijn.
Bronnen
- Gezondheidsraad (2026). Transgenderzorg voor jongeren. Advies nr. 2026/12, 30 juni 2026.
- Cass, H. (2024). Independent review of gender identity services for children and young people: Final report.
- Brik, T. e.a. (2020). Trajectories of Adolescents Treated with Gonadotropin-Releasing Hormone Analogues for Gender Dysphoria. Archives of Sexual Behavior.
- Van der Loos, M.A.T.C. e.a. (2023). Children and adolescents in the Amsterdam Cohort of Gender Dysphoria: trends in diagnostic- and treatment trajectories during the first 20 years of the Dutch Protocol. Journal of Sexual Medicine.
- Carmichael, P. e.a. (2021). Short-term outcomes of pubertal suppression in a selected cohort of 12 to 15 year old young people with persistent gender dysphoria in the UK. PLoS One.
- Transvisie (2025). Hormonen en puberteitsremmers. Pagina voor jongeren, bewerkt 19 december 2025.
Hoe we bronnen kiezen en wegen staat op Werkwijze.

